|
1
kg kalfsgebraad
2 worteltjes
2 uien
1 kleine selder
2 preien
1 laurierblaadje
1 takje tijm
2 kruidnagels
4 of 5 jeneverbessen
2 eetl bloem
50 g boter
1 dl melk
2 eierdooiers
1 eetl kappertjes
snuifje geraspte nootmuskaat
200 g grof zeezout (echt onontbeerlijk)
peper
Druk
het gebraad aan alle kanten stevig in het
zeezout. Leg het in een kom met de rest
van het zout eromheen. Laat het twee dagen
in een koele omgeving rusten. Draai het
gebraad een vijftal keren per dag om.
Voor
de bereiding vult u een grote kookpan met
1 l water. Voeg de schoongemaakte en klein
gesneden groenten toe, samen met de laurier,
de tijm, de kruidnagels, de jeneverbessen
en de peper. Geen zout meer gebruiken. Glijd
het gebraad in het koude water en breng
aan de kook.
Houd de temperatuur een uur lang tegen het
kookpunt. Het gebraad moet gaar zijn maar
nog niet uit elkaar vallen. Haal het dan
uit de pan en zeef de bouillon. Smelt de
boter in een klein pannetje en roer er met
een houten lepel de bloem doorheen. Giet
er een beetje bouillon bij en de lauwe melk.
Kruiden met peper en nootmuskaat. Als de
saus wat ingedikt is, de losgeklopte eieren
en de kappertjes toevoegen. Dat
moet allemaal gebeuren op een zacht vuurtje
en onder voortdurend roeren.
Snijd
het vlees in plakken, schenk de saus erover
en dien zeer warm op met gekookte aardappelen.
U kunt het gebraad ook koud opdienen met mayonaise en omdat
we toch in België zijn, met frieten.
|